gedachten worden gedaan rondom de dingen
deels duidelijk deels aangeduid
maar geen zal er daadwerkelijk winnen

lucebert

donderdag 27 maart 2008

Omè Agnel, come ti muti*


dv - 2007 : exclusieve prent van binnenin
het M a n d e l b r o o d
Marie's water colours op papier A3



Half slapend, uitgeput van het onafgebroken lichtstaren een hele dag lang,
maar nog verbeten scrollend in On the Grotesque: Strategies of Contradiction in Art and Literature van Geoffrey Galt Harpham worden wij plots bevangen door duivelse angsten.

Zal onze vrijgevochten Deleuziaans vervormde geest wel bestand blijven tegen de ongetwijfeld nefaste invloeden van een samenwerkingsverband dat zich aankondigt als volslagen anarchie, want nergens wil het het vaststaande opzoeken, overal zal het grotexte Mormel willen loswrikken, ontregelen, openrijten, loswoelen?

In een verdienstelijke vertaling van Rob Brouwer (ISBN 90-74310-61-3), die ons als herschepping niet echt kon overtuigen, maar dat hoefde ook niet want de originele tekst stond ernaast, - geheel zoals het hoort dus, duiken Danteske taferelen op:

"'k Had net mijn ogen naar hen opgeheven,
toen een slang met wel zes poten tegen de één
zich aan wierp en hem helemaal omklemde;

de twee in 't midden sloeg hij in zijn buik,
de voorste klauwde hij om beide armen
en beet zich toen in beide wangen vast.

De achterpoten strekkend langs zijn dijen
stak 't monster toen zijn staart daartussendoor
en zwiepte, achterom, die weer naar boven.

Nooit hecht klimop zich met zijn wortels zo
aan 'n boom als 't enge beest nu met de leden
van de ander die van hem verstrengeld had.

Toen kleefden zij - het leek of elk van wás was-
aaneen en tevens mengden zij hun kleur
en geen leek meer te zijn wat hij geweest was.

Het ging zoals, voor 'n vlam uit, in papier
een donkere kleur omhoogkruipt: 'tis niet zwart no,
maar toch, de witte kleur van eerst sterft af.

Ze keken toe, de andere twee, en riepen:
* 'Agnello, wat verander jij ineens?
Ach, kijk, hoewel geen twee, ben je ook niet één meer!'"

(Inferno zang XXV, v 49 ev.)


Zo'n vaart zal het wel niet lopen.

Het valt evenwel niet te ontkennen: het groteske laat zich door een geponeerde Man van Woorden, de avatar van onze fictieve onderzoeker, enkel benaderen met een portie angst, of ten minste onrust. Als onderzoeksobject is het groteske een crisisverwekkend instrument gebleken, het misplaatste stelt ook het onderzoek ten gronde in vraag, want de toegepaste terminologie is enkel toepasbaar op het reeds geplaatste, waarbinnen het groteske uitgerekend & uiteraard net niet ressorteert.

In de gigantische literatuur vinden we het groteske dan ook meestal beschreven op een negatieve manier: er wordt gewerkt naar een definitie (sic) van het 'storende' element vanuit de vanzelfsprekendheid van een conforme, huiselijke wereld waar alles zijn plaats heeft, de wereld zeg maar van de Idee.

Het is niet moeilijk om daar middels een Nietscheaanse beweging de vork in te steken & het fictieve karakter van de negativiteit bloot te leggen. Negatief is immers niet wat ontstellend is, negatief is wat dusdanig beknot, gerasterd, gevangen en gefixeerd is dat het elke vorm van onvatbaarheid als een bedreiging ervaart.


* *
*

Bij Harpham lezen we ook over/van Edmund Leach : het kind kent enkel de 'flow' van de ervaring en geen dingen, bij gedwongen superpositie van het raster der dingen vallen er onherroepelijk gaten, treden er onvolkomendheden in de benaming op, die onvolkomendheden vormen de basis voor taboe's, [...] zodat het heilige ook enkel floreert in het groteske, waarin het rijk uiteenvalt in
  • de anomalie : wat tussen de categoriëen van het klasseersysteem valt
  • het ambigue: wat niet kan gedefinieert worden in termen van enigerlei categorie
  • het ambivalente: wat tot meer dan één domein tegelijkertijd behoort
( een indeling dan weer die Harpham haalde bij van Susan Stewart , Nonsense: Aspects of Intertextuality in Folklore and Literature Baltimore 1979)

Het groteske blijkt ook de plaats in te nemen van een vacuum in onze verwoordingsdrang, daar waar er een verlamming van de taal optreedt: het stokken, haperen, falen van de benaming creeërt een spanning die door een groteske invulling met stukjes en beetjes van het bekende wordt ingevuld.

Vandaar ook de vele 'samengestelde beelden, de torso's bovenop vogelveren, het fantasmagorische procédé van: "neem een kip & een haas & een aap & een mens & een slang & kluts dat maar gezellig door mekaar dan krijg je wel wat". Een hemels onding, een nonnon zoals Nabokov dat noemt, een iets dat lijkt op één der Verzoekingen van de heilige Anthonius.

Verzoekingen, zo leren we zo, zijn dus de dingen die buiten de Orde van het Woord vallen. It figures. Het Woord als ordewoord lag dan ook bij g*d, die meesterdichter met de oerwooosh van het Licht. Met Hem in de rug draaien de Wachters van de Orde het zaakje om en geven het plebs dagelijks hun Ordewoorden.

Het groteske is dan in die functionele zin gelijk aan het carnavaleske, dat het de opgebouwde spanningen van het voortdurend moeten rasteren tot wat netjes in de orde van het Woord valt, dat het die spanningen kan doen oplossen in een Dionysische eruptie van tomeloosheid en extravagantie. De Grote Feesten dus, en dat zijn dan natuurlijk ook meteen Feesten van Angst en Pijn. Uit die paradox, dat het onplaatsbare tijdelijk en onder strikte voorwaarden zijn plaats mág vinden in de gestratificeerde cultuur, als 'geplaatst misplaatste' dus, worden plotst wél toelaatbaar, én zelfs wenselijk het carnaval, de Groteske.

De positieve dynamiek van het onvatbare 'reële' dat na de ombuiging van de Orde toch als magma uit de onderdrukte differentie mag uitbarsten, zet in een idëeel maatschappelijk bestel dat in evenwicht is, de legimitatie van de Orde zelf kracht bij.

Zo'n ideëel maatschappelijk bestel bestaat uiteraard niet, en we zien in de praktijk dan ook in tijden van grote crisis het groteske bijna als een mainstream het culturele veld overspoelen, aan de hand van monsterverbonden bv met het eschatologische doemdenken waarvan het de door het kritieke opgewekte energie behoudt, maar waarvan het het negatieve door kortsluiting met het obscene dusdanig belachelijk maakt dat de apocalyptische vermaningen tot groot vermaak van het publiek ombuigen naar een anarchistisch egocentrisme, een 'retour' naar het primaire die alles en iedereen een lachspiegel voorhoudt. Het is dus laat het werken, dat het gedaan is.

Tot zover is dat bekend terrein voor de dappere tekstenvaarder, waarvan hij met gemak dagelijks een versterkende bouillon kan trekken, mocht zijn Beloofde Land weer 's in het gedrang komen.

Maar wacht effen: is hier niet iets verandert? Kunnen we hier niet signaleren dat de informatietechnologie met de steeds meer intelligente digitaliseringsstrategiën hier voor een soort 'recuperatie' van het groteske zorgt in een veld waar de menselijke waarneming en de daarvan afgeleide perceptiemachine's maar 1 invloedsfactor is naast de andere kwantificeringsmethoden? Huh? U bedoelt?

Wel, het is allemaal wat vaagjes nog, & u hoort het niet, maar we denken hier luidop aan bv. het eigenface, het statistisch emergente mombakkes , een monstrosum dat dient om het bekende door middel van net dat groteske te vatten, ex negativo als het ware. De eigenwaarde is de niet be-noembare gemene deler die als een attractor geduid wordt, iets ogenschijnlijks contingent en amorf, dat buiten alle kaders van de menselijke waarneming valt (we kunnen de vectorruimte dénken, berekenen, maar niet ervaren), maar wel heel erg netjes binnen het perceptiekader van een machinale indexering, die zich van een bredere zingeving binnen het menselijk kader geen fluit moet aantrekken. Het werkt dus het is.

De machine gebruikt hier het groteske simpelweg als een oplossing voor de anomalie, het ambigue, het ambivalente waar de taal en dus ook de code in ruimere zin, tekort schiet.

Het groteske verwijst immers naar het niet-ding, waartegen het menselijke brein niet lang standhoudt, cfr de 'verzoekingen van de heilige anthonius' (Dali, maar ook Schongauer, Bosch, Breughel, Grünewald , Ensor en talloze anderen.

Het niet-ding is het onnoembaar opduikende, een emergente faze in een proces, & daar waar de mens zich spiegelt aan het ego en het vertrouwde 'imago' daarvan, ondervindt het machinale parsen van data daarvan geen 'ideologische' hinder & kan het bovenop het middels semantische ontologieën in menselijke termen bevattelijke, ook nog 's gebruik maken van wat in Dante's hel nog een 'imagine perversa' heet, het vis noch vlees van de loutere overgang.

Op dat moment is in onze donkerdroeve grotextengrot middels een door solferdampen omgeven energieopstoot het licht ingetreden: het fel gevreesde cliché van het 'unheimliche' is geboren, met als nageboorte de stoplap van heur iets minder freudige angelsaksische zusje, 'the uncanny'.

Met die twee termen rij je met gemak alle gaten dicht op eender welke cocktail party in & buiten het wielerseizoen. Ook al omdat het zo modieus creepy is.
Het werkt dus het is, en het is eng.

Met alle grote cliche's heeft het unheimliche / the uncanny gemeen dat het ergens een pointe mist, en de gedachte dus bij herhaaldelijk gebruik ervan in het net niet foute blijft steken.

Dat voortdurende breinkerven van meesterlijke gedachtenpeuteraars, maakt dat de termen zelf beginnen uitgehold te geraken, en waar het eerste gebruik nog steek hield beginnen de iteraties in het luchtledige dol te draaien, de woorden worden onduidbare attractiepolen , die vangen als een heuse kometensliert de schier eindeloze massa literatuur errond & verworden tot een instabiliteit, een singulariteit waar dra een Ding te gebeuren staat, iets groots, dat schitteren zal.

Een beetje zoals onze term grotesk zelf, dus.



-------------------

dante inferno xxv 76-78

ogne primaio aspetto ivi era casso:
due e nessun l 'imagine perversa
parea; e tal sen gio con lento passo

Geen opmerkingen: